duiden (~ op: wijzen op)

werkwoordprs = in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

Positieve getallen duiden op een teveel aan water.

Dat duidt op een toename van 12 tot 20 procent.

Duidt dit erop dat het toch misloopt?

Kritiek duidt juist op betrokkenheid.

Deze symptomen duiden op een acute allergie.

Dit duidt op grote woningnood onder studenten.

Dat lijkt op brandstichting te duiden.

Peilingen duiden op een nieuw groot verlies.

Elke stand boven 50 duidt op groei.

De manier van fossiliseren duidt daar ook op.

Het duidt op groeiend onderling wantrouwen.

Een waarde boven de 50 duidt op groei.

Dat laatste zou op technische vooruitgang duiden.

Ze ziet geen tekenen die duiden op een recessie.

Het duidt op een meer aanvalsgerichte speelstijl.

Het duidt erop dat ze wanhopig zijn.

Maar tegelijk duiden die elementen ook op een zwakte.

Een chronisch lage hrv duidt doorgaans op problemen.

Volgens analisten duidt dit op een krimpende arbeidsmarkt.

Hij had een hupje, dat duidde op ontspanning.

Die duidden namelijk op een groot talent.

De huidige situatie duidt niet op innige samenwerking.

Niet alle haperingen duiden op stotteren.

Dat kan op een grote foutenmarge duiden.

Dat duidt erop dat de bacterie pas kort geleden ingevoerd is.

subject

Wie of wat (...)?

substantief

aantal

begrip

bevinding

cijfer

feit

gegeven

naam

onderzoek

ontwikkeling

opkomst

(6 meer)

pronomen

alles

dat

dit

het

niets

veel

bepaling

Waar, wanneer, hoe, enz. (...) men?

adverbium

mogelijk

vaak

voorzetselobject

Met vaste prepositie (vast voorzetsel)

op:

aanwezigheid

activiteit

betrokkenheid

gebrek

gebruik

gevaar

groei

infectie

probleem

risico

(4 meer)

verbum auxiliare of groepsvormend verbum

Welk hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord wordt vaak gebruikt bij duiden?

hoeven

kunnen

lijken

zullen

bijzin ingeleid door

erop dat

Er zijn (nog) geen patronen opgetekend.

Voor meer informatie over dit woord: klik op Voorbeeldzinnen of Combinatiemogelijkheden.